Minimaal 95% van een product moet biologisch zijn – goed of fout?

Minimaal 95% biologisch

Je hoort wel eens iemand zeggen dat een product minimaal 95% biologisch moet zijn en dat het moeilijk is om daaraan te voldoen, omdat er niet voldoende biologische ingrediënten beschikbaar zijn. Dit suggereert dat je wanneer je een biologisch product hebt, hier maximaal 5% van hetzelfde product maar dan gangbaar doorheen mag mengen.

Dat is echter niet wat in de regelgeving staat, deze bepaling is namelijk alleen van toepassing op verwerkte producten (zie artikel 23 lid 4). Een samengesteld product moet voor minimaal 95% van het gewicht uit biologische ingrediënten van agrarische oorsprong bestaan. Wanneer een product hieraan niet voldoet, dan wordt het een ‘gangbaar product bereid met biologische ingrediënten’. Er mag dan alleen naar biologisch worden gerefereerd in de lijst van ingrediënten.

Hoe kom je dan aan minimaal 95% biologisch?

Water en zout worden niet meegenomen in de minimaal 95% biologisch, aangezien dit geen producten van agrarische herkomst zijn (artikel 27 lid 1e). En zo kan het dat een product waarvan het belangrijkste ingredient zout is, (zie foto), toch biologisch kan worden gecertificeerd.
Of levensmiddelenadditieven moeten worden meegerekend als agrarisch product, is te vinden in bijlage VIII van verordening 889/2008, dit zijn namelijk de stoffen met een * achter het codenummer.

En hoe zit het met de gangbare ingrediënten?

Wat betreft de gangbare ingrediënten: een lijst met toegestane gangbare ingrediënten is te vinden in bijlage IX van verordening 889/2008. Het is ook mogelijk om een (tijdelijke) ontheffing aan te vragen bij de RVO via DRbio-import@rvo.nl voor het gebruik van een gangbaar ingrediënt (artikel 29 van verordening 889/2008).  

Een biologisch ingrediënt mag niet samen met hetzelfde ingrediënt maar dan gangbaar in een product worden gebruikt. Voor ‘bereid met’ producten gelden dezelfde voorwaarden als voor biologische producten. Het is dan ook niet toegestaan om een product te produceren dat voor 50% uit biologische tarwe bestaat en voor 25% uit gangbare tarwe. Een product met 50% biologische tarwe en 25% gangbare haver is wel toegestaan.

Uiteraard is het wel toegestaan om een biologisch ingrediënt te gebruiken en dit niet op de verpakking te vermelden, dan vervallen bovenstaande regels, aangezien het dan een volledig ‘gangbaar’  product is.

Kom je er niet uit? Neem gerust contact op!

European Organic Congress: Hoe staat het met de nieuwe biologische regelgeving?

Van 1 tot en met 3 juli was het European Organic Congress. Dit congres werd georganiseerd door IFOAM Organics EU, de Europese tak van de koepel van organisaties actief in de biologische sector IFOAM en BÖLW, de Duitse vereniging van biologische boeren, verwerkers en retailers. Dit jaar was het congres geheel online. Op 1 juli was er een sessie over de nieuwe biologische regelgeving, ik geef hieronder een samenvatting van de belangrijkste punten uit deze sessie. Het hele congres is online terug te kijken.

Stavaza verordening 2018/848

De belangrijkste vraag was en is natuurlijk: wat is de stand van zaken betreffende de nieuwe Europese biologische verordening 2018/848? Nicolas Verlet, hoofd van de biologische landbouw Unit bij de Europese commissie, gaf het antwoord  op deze vraag. Momenteel wordt er gewerkt aan verschillende geïmplementeerde besluiten (implementing acts) en gedelegeerde besluiten (delegated acts). Deze besluiten zijn in feite aanpassen in de basiswetgeving 2018/848. In deze blog bespreek ik een aantal eerder gepubliceerde wijzigingen.
Wat betreft de productieregels moeten er nog 5 gedelegeerde besluiten worden aangenomen. Het gaat dan o.a. over de productie en in handel brengen van heterogeen uitgangsmateriaal, de uitzondering in het geval van extreme omstandigheden/rampen, het etiketteren van zaaizaad voor voer en voedsel en de nieuwe lijsten van toegestane meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en reinigingsmiddelen. Er is een online consultatie over deze besluiten gedurende 4 weken waarbij er feedback kan worden gegeven. Momenteel is er een online consultatieronde over het etiketteren van veevoer met gangbare ingrediënten.   

Wat betreft import & handel zijn er al een gedelegeerd besluit en een uitvoeringsbesluit goedgekeurd. Dit gaat over criteria waaraan controle instanties buiten de EU moeten voldoen om bedrijven biologisch te kunnen certificeren conform de EU biologische regelgeving.

De meest prangende vraag ging natuurlijk over de ingangsdatum van de nieuwe regelgeving: verschillende organisaties (IFOAM, EOCC), EU lidstaten en het EU parlement hebben de commissie gevraagd om de invoering 1 jaar uit te stellen, naar 1 januari 2022. De commissie heeft hierover nog geen besluit genomen. Met name voor de controlerende instellingen zal het een uitdaging zijn om zich tijdig voor te bereiden om de nieuwe regelgeving.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen?

Volgens Marian Blom, vice-voorzitter van IFOAM EU en projectleider bij Bionext, zijn dit de belangrijkste wijzigingen:

  • Verduidelijking met betrekking tot het telen in de bodem: alleen kruiden en sierplanten mogen in pot geteeld worden. Vanaf 31 december 2030 is het in Denemarken, Finland en Zweden niet meer toegestaan om biologisch te kweken in afgescheiden bedden.
  • Het toestaan van het gebruik van heterogeen plantmateriaal, oftewel populaties van zaadvaste rassen.
  • Strengere eisen voor het gebruik van voer uit de regio
  • Duidelijkheid over de status van de veranda voor pluimveehouders
  • Natuurlijke aroma’s moeten voor minimaal 95% uit bio ingrediënten bestaan
  • Meer flexibiliteit bij het gebruik van gangbare ingrediënten, maar alleen met ontheffing

Andere belangrijke wijzigingen zijn:

Niet-toegestane stoffen in biologische producten: dit zal komende jaren een belangrijk thema zijn. Er wordt niet gewerkt met een afkeurgrens, dus volgens de regelgeving zal elke vondst van een niet-toegestane stof in een biologisch product aanleiding zijn voor onderzoek, ook als het slechts een spoor van een stof betreft. De uitdaging zal zijn om niet te verzanden in bureaucratie maar wel de biologische waarden te beschermen. Georg Eckert, voorzitter van de EOCC en hoofd van de landbouwafdeling van ABcert, verwacht dat er veel meer positieve analyses zullen zijn, ook doordat laboratoria steeds beter kunnen analyseren. Hij raadt aan om te focussen op het voorkomen van contaminatie, er zal meer verantwoordelijkheid hiervoor bij de bedrijven worden gelegd.

Groep certificering: een belangrijke wijziging is het mogelijk maken van groep certificering. Buiten de EU is certificering van groepen van kleine boeren al een bekend gebruik, maar binnen de EU wordt dit nog niet toegestaan. Er zijn al een aantal criteria bekend, maar er volgt nog een beperking op het aantal boeren dat lid mag zijn van een groep. Er zijn nu gevallen bekend van groepen van 80.000 boeren, maar dat maakt het heel moeilijk om het interne controle systeem (ICS) en controle door de CB goed uit te voeren.

Tweejaarlijkse fysieke inspectie voor laag risico bedrijven: bedrijven met een laag risico worden 1 keer per 24 maanden fysiek geïnspecteerd, het volgende jaar voldoet een administratieve inspectie.

Import uit derde landen: momenteel zijn er 11 landen waarvan de nationale biologische regelgeving als equivalent aan de Europese biologische regelgeving wordt gezien. Met deze landen zal opnieuw worden onderhandeld. In de overige landen buiten de EU zijn door de EU aangewezen controle instanties actief die hun eigen standaarden gebaseerd op de EU regelgeving laten toetsen. Hierdoor is er wat flexibiliteit in bijvoorbeeld het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit zal veranderen, controle instellingen in derde landen moeten meer gaan samenwerken en afstemmen. De druk die op controle instellingen in derde landen ligt doordat bedrijven steeds groter worden zal ook een uitdaging zijn volgens Nicolas Verlet.  

Logo of the European Organic Congress 2020

Goedkeuring van inputs in de biologische landbouw

Zowel in de huidige als in de nieuwe biologische verordeningen is een lijst met toegestane meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en reinigingsmiddelen, oftewel inputs, opgenomen. Dit zijn echter behoorlijk summiere lijsten, waarop alleen werkzame stoffen vermeld staan. Het is hierdoor onduidelijk of een samengestelde meststof of gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt in de biologische landbouw. De Fipronilcrisis heeft ons geleerd dat het belangrijk is om de complete samenstelling van een product te kennen en te laten toetsen voordat het wordt gebruikt in de landbouw. Op welke manier kan een input zoals een meststof of gewasbeschermingsmiddel worden goedgekeurd voor gebruik in de biologische landbouw?

Nieuwe verordening EU 2018/848

Nieuw is dat in de toekomstige biologische verordening 2018/848, in artikel 9 lid 3 wordt vermeld dat beschermstoffen, synergisten en formuleringshulpstoffen die een bestanddeel van gewasbeschermingsmiddelen zijn, zijn toegelaten voor gebruik in de biologische landbouw mits deze zijn toegestaan op grond van verordening 1107/2009. Ook toevoegingsmiddelen die met (toegestane) gewasbeschermingsmiddelen moeten worden gemengd zijn in deze verordening toegestaan. Dit voorkomt discussie over de veelgebruikte synergist piperonyl-butoxide, onder verordening 2018/848 is deze stof toegestaan in de biologische landbouw.

Een andere interessante wijziging in verordening 2018/848, artikel 31, is dat op toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, bodemverbeteraars en nutriënten mag worden vermeld dat deze mogen worden gebruikt in de biologische landbouw.

Maar de nieuwe verordening wordt naar verwachting pas per 1 januari 2022 ingevoerd. In de tussentijd gaan de EU lidstaten in de praktijk verschillend om met de goedkeuring van inputs voor de biologische landbouw. In de Europese biologische verordeningen worden dan ook geen eisen gesteld aan het toetsen van deze inputs, en er wordt ook niet gespecificeerd hoe dit moet worden gedaan.

Nationale inputlijsten

In totaal 6 landen hebben nationale lijsten van toegestane inputs opgesteld. Het gaat om Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, Nederland, Kroatië en Italië. Ook Demeter heeft zijn eigen lijst van inputs, toegestaan in de biologisch-dynamische landbouw.
De beoordeling van de inputs wordt uitgevoerd door Fibl, een onderzoeksinstituut voor biologische landbouw, op basis van de EU biologische verordeningen en relevante nationale wetgeving. Dit betekend dat wanneer een middel is goedgekeurd in bijvoorbeeld Duitsland, dat niet betekend dat het middel ook in Nederland mag worden gebruikt, omdat nationale wetgeving ook wordt meegenomen in de beoordeling.

EU inputlist

Fibl heeft daarnaast ook de EU input list gecreëerd. Dit is een website waarop de middelen die door de individuele landen zijn goedgekeurd te vinden zijn, inclusief het land waar deze middelen gebruikt mogen worden. Het is dus niet zo dat op deze lijst middelen staan die in de hele EU gebruikt mogen worden.

Private certificeringsprogramma’s

De landen die geen nationale input lijst hebben, hebben verschillende manieren om inputs te beoordelen. Een mogelijkheid is dat controleorganen eigen private certificeringsprogramma’s hebben opgesteld voor de goedkeuring en certificering van inputs in de biologische landbouw. Dit geldt o.a. voor Control Union Certifications, Ecocert, Soil Association (UK), Ceres, OF&G (UK).

Helaas is het wel zo dat niet elk land of elk controleorgaan deze certificaten accepteert. Daarnaast zijn deze controleorganen veelal actief in verschillende landen. Het is dus belangrijk om na te gaan in welke landen/door welke organisaties deze certificaten worden geaccepteerd, voordat wordt besloten om hiervan gebruik te maken.

Eigen beoordeling

Dan zijn er nog landen die een eigen beoordelingsprocedure hebben voor meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Helaas is niet openbaar op welke manier en op basis van welke criteria deze beoordeling wordt uitgevoerd. Ook is er bij deze landen veelal geen publieke lijst beschikbaar van toegestane inputs.

En nu?

Voor boeren geldt altijd: check vooraf of het middel wat je wilt gebruiken is toegestaan, dit voorkomt een hoop gedoe achteraf.

Voor producenten van inputs die interesse hebben in de biologische markt blijft het een zoekplaatje, afhankelijk van het land waar het middel verkocht zal worden.
Neem gerust contact met mij op om hierover verder te praten.

Nieuwe biologische regelgeving: update maart 2020

Op 23 en 31 maart 2020 werd er een volgende stap genomen in de ontwikkeling van de nieuwe biologische regelgeving door de Europese Commissie. Er werden 2 nieuwe verordeningen gepubliceerd, waarin een aantal van de productievoorschriften zijn vastgelegd. Helaas zijn echter nog niet alle productievoorschriften vastgesteld. Deze nieuwe verordeningen zijn aanvullend aan de verordening 2018/848, gepubliceerd op 14 juni 2018. Het is duidelijk dat de vaststelling en publicatie van de nieuwe biologische regelgeving vertraging oploopt, en het is dan ook logisch dat er momenteel druk gelobbyt wordt om de ingangsdatum van de nieuwe regelgeving uit te stellen tot 1 januari 2022.

Verordening 2020/427 & 2020/464

In verordening 2020/427 staan een aantal wijzigingen op bijlage II van verordening 2018/848 waarin de productievoorschriften zijn vastgelegd. Dit gaat om voorschriften voor productie van kiemzaden, imkerij en aquacultuurproductie, geen wereldschokkende zaken.

In verordening 2020/464 worden een aantal uitvoeringsbepalingen voor verordening 2018/848 vastgesteld. Hierin staan een aantal wijzigingen die interessanter zijn, zoals andere voorwaarden voor de mogelijkheid om de omschakelingsperiode voor een perceel te verkorten. Dit zal per 1 januari 2021 mogelijk zijn op basis van een risicobeoordeling door Skal, perceelskaarten, gegevens voorgaande teelten, fysieke inspectie en laboratoriumonderzoek. In de praktijk verwacht ik dat dit niet snel zal leiden tot een verkorting van de omschakelingsperiode, tenzij er een zeer goede onderbouwing aan de aanvraag ten grondslag ligt. Het blijft daarnaast mogelijk om verkorting van de omschakelingsperiode aan te vragen op basis van een subsidieprogramma dat onder verordening 2013/1305 valt, zoals de SNL subsidie.

Een andere interessante wijziging is dat minimaal 50% van de oppervlakte van de uitloop van varkens dicht moet zijn. Hiervoor wordt een overgangsperiode voor bestaande bedrijven van maar liefst 8 jaar gegeven, dus uiterlijk 1 januari 2029 moet hieraan worden voldaan. Uit ervaring weet ik dat varkensbedrijven met uitlopen met een volledige dichte vloer, regelmatig last hebben van wateroverlast in de uitloop. Dit is de reden waarom vaak wordt gekozen voor een roostervloer in de uitloop. Dit wordt voor sommige bedrijven dus nog wel een uitdaging.

Grootste wijzigingen voor biologisch pluimvee

De grootste wijzigingen zijn in de regelgeving voor de biologische pluimveesector te vinden. Zoals al bekend mag de veranda niet meer worden meegeteld als binnenruimte waardoor de bezetting moet worden aangepast. De commissie heeft hiervoor nu een overgangsperiode van 3 jaar vastgesteld. Voor de maximale bezetting van ouderdieren en jonge hennen en leghanen worden voor het eerst eisen vastgesteld. Daarnaast is een maximaal aantal etages vastgesteld en moet een stal een efficiënt mestverwijderingssysteem hebben. Voor deze eisen is een overgangsperiode van 8 jaar vastgesteld.

Daarnaast zijn er eisen voor de lengte van de zitstokken en oppervlakte van verhoogde zitniveaus voor mestpluimvee (kapoenen en poulardes) toegevoegd. De lengte van de luiken tussen de veranda en het binnendeel van de pluimveestal moet minimaal 2 meter per 100 vierkante meter stal zijn. Hiervoor is een overgangsperiode van 3 jaar vastgesteld.

Voor de uitloop van pluimvee zijn voor het eerst eisen vastgesteld met betrekking tot de begroeiing: de begroeiing moet gevarieerd zijn en voldoende schuilvoorzieningen of beschutting bieden. De grens van de openluchtruimte mag niet verder dan 150 meter van de dichtstbij gelegen opening van de pluimveestal liggen. Het is echter mogelijk om dit uit te breiden tot 350 meter wanneer er voldoende beschutting in de uitloop is, er moeten dan tenminste 4 beschutte plekken per hectare zijn. Waar die beschutte plekken aan moeten voldoen is vervolgens niet gespecificeerd.

De grootste uitdagingen zijn dus voor de biologische pluimveesector, maar gelukkig is voor de meeste nieuwe vereisten een overgangsperiode vastgesteld.

Dit najaar start ik een online cursus over de biologische regelgeving. Zijn er nu al vragen of opmerkingen? Neem gerust contact op!



Makkelijk

Begin vorig jaar was ik in dezelfde week bij twee bijeenkomsten die, hoewel het onderwerp zeer verschillend was, toch ook een overeenkomst hadden. De eerste bijeenkomst was een ouderavond op de school van mijn dochter om ouders te informeren over de aanstaande fusie met een andere school. Tijdens deze ouderavond werd door de schoolleiding gesuggereerd dat het op de nieuwe school beleid zou kunnen worden om tijdens de pauze water te drinken in plaats van sap of limonade. De reacties uit de zaal verrasten me: ouders vonden het een aantasting van hun eigen vrije keuze als de school dit zou gaan voorschrijven. Het verbaast me dat het als ‘normaal’ wordt gezien om pakjes drinken mee te geven naar school, het is geen gezond drinken door de hoeveelheid suiker die erin zit en de pakjes creëren onnodig afval. Het is niet zo dat mijn dochters geen sap of snoep krijgen, maar op een gewone schooldag vind ik dat niet nodig.
Is het zo dat we denken dat het normaal is om pakjes sap mee naar school te geven omdat deze nou eenmaal in ruime mate en dichtbij verkrijgbaar zijn? Of omdat (bijna) iedereen het doet? Of is het gewoon makkelijk, zodat onze kinderen er niet om zeuren?

De tweede bijeenkomst was de presentatie van het rapport van Jelmer Buijs en Margriet Mantingh over residuen van bestrijdingsmiddelen op landbouwbedrijven. De presentatie vond plaats in het Provinciehuis van Gelderland in Arnhem. De resultaten van hun onderzoek zijn duidelijk: residuen van bestrijdingsmiddelen worden, weliswaar in lage concentraties, teruggevonden in voer, mest en grond op landbouwbedrijven in Gelderland. De veelheid van gevonden residuen is verbazingwekkend, simpelweg omdat we niet goed weten hoe deze residuen zich gedragen in het milieu en daardoor persistenter kunnen zijn dan gedacht. Het onderzoek bracht een groot manco naar voren: er is nauwelijks onderzoek gedaan naar het effect van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de biodiversiteit, simpelweg omdat het ‘te moeilijk is’. Daarnaast is nauwelijks bekend hoe combinaties van verschillende middelen zich gedragen in het milieu. De resultaten zijn duidelijk, alhoewel de link met de afname van het aantal insecten en  weidevogels niet kan worden gemaakt. De sector moet aan de slag, het gebruik van middelen moet kritisch bekeken worden. De reacties uit de zaal van boeren verbaasden mij echter. Het werd duidelijk dat het als ‘normaal’ wordt gezien om bestrijdingsmiddelen te gebruiken tegen ongewenste planten, ziekten en plagen. Het is abnormaal om deze met andere methoden dan chemie te bestrijden. Er wordt niet over nagedacht, er wordt gelijk gegrepen naar een makkelijk voorhanden oplossing, namelijk het gebruik van chemische middelen.

Het lijkt erop dat de mens graag voor de makkelijke weg kiest. Of wordt deze weg voor ons bepaald door grote bedrijven en slimme marketing? Verliezen we hierdoor ons eigen vermogen tot kritisch nadenken?